Column Foekje Dijk: 'Een zegen...?'

Assen

Een zegen...?

‘Het is een zegen.’ Een dergelijke zucht ontsnapt soms onverwacht aan lippen van mensen. Maar wat zeg je daar in wezen mee? Is het soms ironisch bedoeld, wanneer iemand zegt: ‘Je zult er maar mee gezegend zijn!’, waarbij je heel goed weet dat je er ondertussen maar mooi mee opgescheept zit! Of wordt er dat grote, smalle visnet bedoeld, waarmee de visserij zeer gezegend vele vissen vangt? Laten we even een uitstapje maken naar de tijd van de Boeddha. Tijdens zijn leven werden ‘zegeningen’ gedacht afkomstig te zijn van de goden. De Boeddha bracht de betekenis terug tot datgene, wat duidelijk zichtbaar en essentieel is in het leven van mensen. Datgene, waardoor zij gelukkig zijn en ware voorspoed beleven (iets, waar mensen dan zelf grote invloed op zouden kunnen uitoefenen). In het Nederlands taalgebied heeft een ‘zegen’ oorspronkelijk de betekenis van heil of voorspoed. Later kreeg het meer betrekking op het uitspreken van een formule, waarmee een poging gedaan wordt iemand heil of voorspoed te geven. In de bijbelse betekenis staat de zegen vaak tegenover de vloek. Kenmerken van de bijbelse zegen zijn onder meer: veel nakomelingen voor mens en dier, rijke oogsten, afwezigheid van ziekten, overwinning op vijanden en nationale groei en voorspoed. De christelijke zegen heeft in de loop der eeuwen verschillende betekenissen gekregen. Was het eerst een lofprijzing, later werd het meer een ‘bezwering’. Deze bezwering valt nog steeds terug te lezen in het ‘zegenen’ van de nieuwe auto, het pas gerestaureerde huis of de vakantie die voor de deur staat: dit alles om kwade invloeden te bezweren en een heilwens mee te geven. Toch geeft het te denken. Is een zegen eigenlijk wel op afroep verkrijgbaar, of is er juist voor het verkrijgen daarvan het geduld van de lange adem nodig? Foekje Dijk, Vrijzinnig Assen.

Auteur

Albert-Jan Garama